Same classroom, different citizenship learning opportunities
Children’s experiences of the disparate workings of the school as a practice place

Universiteit van Amsterdam
Thesis MSc Sociology
Lisa Hu

First supervisor: dr. Thijs Bol
Second reader: dr. Gerben Moerman

 
 

Bekijk hier het juryrapport van de NSV Scriptieprijs

Bekijk hier het juryrapport en de opnames van de prijsuitreiking van de Jan Brouwer Scriptieprijs

Lees hier het toegankelijke artikel van Didactief over dit onderzoek

 

Abstract

Research has stressed the need to address inequalities in young people’s citizenship learning. However, much remains unknown about how these inequalities develop in practice. This study therefore approaches schools as practice places for citizenship, where a multitude of citizenship learning opportunities are embedded within the interactions in the school community. Following this approach, this study investigates how the school as a practice place for citizenship can benefit some children more than others. To this end, I have conducted a child-centred case study at two Dutch primary schools. Eleven children were interviewed with the use of visual-aided methods, which were designed to allow for children’s own perceptions and experiences to emerge. 

In this way, children’s narratives illustrate the differential workings of the school as a practice place. They demonstrate how citizenship learning opportunities may be distributed in inequitable ways, as they appear to be primarily accessible to children who already occupy more established positions within the school community. Indeed, children’s civic self-efficacy and sense of belonging are found to condition their individual access and use of the citizenship learning opportunities presented by the school community. To advance understanding of these conditions, this study proposes a new way of addressing civic self-efficacy, for further research as well as educational practices. This provides a basis for understanding how, why and when children may be bolstered or hindered in specific aspects of their citizenship learning. Based on these findings, this study puts forth recommendations for more equitable citizenship learning in schools.

Publiekssamenvatting

Burgerschapsonderwijs staat hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Van gebrek aan sociale cohesie tot extremisme en intolerantie, burgerschap wordt voor diverse maatschappelijke uitdagingen als oplossing aangegrepen. In augustus 2021 is dan ook een nieuwe wet ingegaan, welke de eisen aan scholen aanscherpt rondom burgerschap. Leerlingen moeten kunnen oefenen met hun rechten en verantwoordelijkheden en zich daarbij verhouden tot anderen. De school als minisamenleving vormt hiervoor een oefenplaats. 

Voor een geloofwaardige democratie is het essentieel dat elke jonge burger dat leert. Toch laat onderzoek telkens ongelijkheden zien, in hoe jongeren uiteindelijk scoren op ‘burgerschapscompetenties’. Dit bestaande onderzoek vertelt echter niet wat daar precies in de praktijk aan voorafgaat. Nog minder is er bekend over burgerschap op de basisschool. Daarom onderzoekt deze scriptie hoe en waarom de basisschool als oefenplaats verschillend werkt voor verschillende kinderen. 

De subjectieve percepties en ervaringen van kinderen bepalen hoe zij hun school als oefenplaats kunnen benutten. Daarom heb ik voor deze case study een visuele interviewmethode ontwikkeld. Doordat kinderen zelf hun ervaringen tekenen en aanwijzen, komen verhalen naar voren waar ander onderzoek tot nu toe niet goed bij kwam. 

Uit die verhalen blijkt dat er ongelijke toegang is tot belangrijke oefenmomenten voor burgerschap, zelfs binnen dezelfde klas. Zo is schuring inherent aan democratisch burgerschap, maar dit kan voor sommige kinderen voelen als een risico op conflict of afwijzing. Daardoor zijn het juist de kinderen die zich minder thuisvoelen op school of weinig vertrouwen hebben dat ze verschil maken, die waardevolle oefenmomenten kunnen mislopen. Ook zijn degenen die mogen oefenen met inspraak op school vaker de kinderen die toch al als mondig of slim gezien worden. Uit deze ervaringen lijken kinderen impliciete boodschappen te trekken, over wiens stem ertoe doet — in de minisamenleving op school en mogelijk ook in de grotere samenleving daarbuiten.

Deze studie stelt een nieuwe manier voor om naar ‘civic self-efficacy’ te kijken — het geloof in de eigen capaciteiten als burger. Dit biedt een basis om beter te begrijpen hoe, waarom en wanneer kinderen versterkt of gehinderd worden in hun burgerschapsleren. Op basis van deze bevindingen doet deze scriptie aanbevelingen om oefenkansen voor burgerschap rechtvaardiger te verdelen op scholen.